In de gemeentepolitiek krijgen ogenschijnlijk levenloze objecten, soms menselijke eigenschappen. Emotie verkoopt. Dit geldt ook voor woningen, vraag het uw makelaar maar. De meeste eigenschappen van een woning bevinden zich in het spectrum van het objectiveerbare: Rijtjeshuizen, vrijstaande woningen en flats. Soms is er een definitiekwestie. In ruimtelijke plannen kan over ‘gestapelde bouw’ worden gesproken, terwijl het woonbeleid wat cryptisch spreekt van ‘meergezinswoningen’. In beide gevallen gaat het over flats, ofwel appartementen.
Even objectiveerbaar is de grootte, maar daar begint al enige complicatie. De beoordeling is namelijk afhankelijk van de behoeften van de bewoners. Gemiddeld genomen wonen wij Nederlanders, naar oppervlakte bekeken, in een steeds grotere woning, met een steeds kleiner huishouden (2,1 personen). Het oordeel over deze woningeigenschap (te groot of te klein) hangt af van de woonwens, maar wordt in de praktijk van de woningmarkt natuurlijk vooral bepaald door de eigen financiƫle mogelijkheden. Wie meer verdient, kan desgewenst groter wonen. Logisch.
Niet elke beoordeling van woningeigenschappen is logisch. Neem bijvoorbeeld de esthetische eigenschappen van een woning. Dit is het domein van de welstandscommissie. Dit is een groepje deskundigen die bepaalt of een ontwerp uitgevoerd mag worden op basis van ogenschijnlijk objectieve criteria: stedenbouwkundig patroon, bebouwingsbeeld, architectuur, materialisatie, detaillering, enzovoorts. Welstandsbeleid staat bol van jargon en is alleen daarom al voor gewone mensen niet te volgen. Bij afwijzing van een bouwvergunning voor hun architecten overigens vaak ook niet. Over smaak valt uitstekend te twisten, zo blijkt maar weer.
Er is ook een categorie eigenschappen van een woning die zelfs door deskundigen uit de wereld van ruimtelijke ordening en architectuur niet vast te stellen is. Daar is logica ver te zoeken. Het gaat dan om eigenschappen die woningen kennelijk in hun onderlinge omgang en in hun gedrag naar mensen toe hebben. Dit zijn de ‘sociale woningen’. Het geeft sommige woningen welhaast menselijke trekjes. Makkelijk in de omgang en vriendelijk voor de buren, dat werk. Onzin natuurlijk, want het gaat hier om gesubsidieerde huurwoningen. Woningen die een sociale functie vervullen op de woningmarkt, voor huishoudens die niet over de middelen beschikken om op eigen kracht een woning te huren of te kopen. Deze woningen en hun huurders worden drievoudig gesubsidieerd; niets logischer dus dan om van gesubsidieerde huurwoningen te spreken.
De gesubsidieerde huurwoning is het belangrijkste bestanddeel van de gereguleerde woningmarkt. Een markt met regels die bepalen dat de huurprijzen worden vastgesteld met een puntensysteem. Een markt met prijzen die gemiddeld genomen meestal te laag zijn (in Utrecht rond de €300,-) om de kosten van het onderhoud te dekken. Een markt waarin voor huishoudens die deze huur niet kunnen betalen, een huursubsidie (huurtoeslag) beschikbaar is. Een markt met regels die bepalen dat huishoudens met een inkomen dat lager ligt dat het modale huishoudeninkomen (€33.000,-) een huisvestingsvergunning kunnen krijgen, die het recht geeft om een gesubsidieerde huurwoning te mogen huren. Een markt met woningtoewijzingregels, waarin de duur dat men op de wachtlijst heeft gestaan van doorslaggevend belang is. Hoe meer regels worden opgesteld voor deze markt, des te groter de onevenwichtigheden.
Het is een vorm van gereguleerd marktfalen. Omdat wachtduur een factor is staan er in Utrecht 77.000 mensen op de wachtlijst. Het heeft de suggestie van een groot tekort aan gesubsidieerde huurwoningen, maar in de praktijk blijkt dat 9.000 mensen daadwerkelijk op zoek zijn naar een woning. De knuffelterm ‘sociale woning’ krijgt een wrange bijsmaak door het onuitgesproken oordeel dat impliciet voor andere woningen geldt. Die zijn dus asociaal? Het is een moreel oordeel, dat de bewoners van die woningen ernstig tekort doet. Het gaat hier om mensen die de verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen woonsituatie. Bewoners die het volle pond betalen voor hun particuliere huurwoning of voor hun koopwoning, ongeacht hun inkomen. Het zijn ook de mensen die rechtstreeks meebetalen aan de bouw van gesubsidieerde huurwoningen, vanwege de grondprijzen die de gemeente Utrecht hanteert. Voor een gesubsidieerde huurwoning betaalt de woningbouwcorporatie maximaal €17.000,- voor de grond, terwijl de bewoners in de rest van hetzelfde bouwblok minstens €50.000,- betalen, vaak rond de €90.000,- en soms zelfs 250.000,-. De intenties erachter mogen sociaal zijn, in morele termen is het in zijn uitwerking weinig rechtvaardig.
De gereguleerde woningmarkt is een deel van het sociale vangnet dat in de loop der tijd uit de klauwen is gelopen. Er zijn in Nederland 2,4 miljoen gesubsidieerde huurwoningen voor 1,5 miljoen huishoudens met een laag inkomen. Dat is dus bijna 1 miljoen meer dan nodig. In Utrecht is bijna de helft van de woningen een gesubsidieerde huurwoning, precies genoeg om alle huishoudens te kunnen huisvesten die met een modaal inkomen of minder moeten rondkomen. Helaas worden 38% van die Utrechtse gesubsidieerde huurwoningen bewoond door huishoudens die beschikken over een hoger (soms veel hoger) inkomen. Vaak voor een huurprijs van rond de €300,-. Lekker goedkoop, maar niet erg sociaal.