Onlangs ontving de gemeenteraad een raadsvoorstel om tot een wijziging van de bestaande standplaatsverordening te komen. Doel van het raadsvoorstel is het afschaffen van de standplaatsverordening om zo tot een vermindering van administratieve lasten te komen voor ondernemers. Op het eerste gezicht een aantrekkelijk idee, maar het voorstel lijkt meer problemen te creëren dan daadwerkelijk op te lossen.
Op dit moment heeft de gemeente Utrecht voor ongeveer 100 standplaatsen een vergunning afgegeven. Het gaat om vergunningen voor een viskar, bloemenkar, kaasboer en in het seizoen oliebollenkramen en ijskarren. Het staat ondernemers nu vrij om een aanvraag voor nieuwe locatie met bijbehorende vergunning in te dienen. Deze aanvraag wordt getoetst op eisen van welstand en ruimtelijke impact. Nieuwe aanvragen kunnen op basis van de geldende verordening niet of nauwelijks worden afgewezen. Vergunningen worden in principe voor drie jaar afgegeven, seizoensgebonden vergunningen voor één jaar, en kunnen worden verlengd waarbij het principe 'wie-het-eerst-komt-wie-het-eerst-maalt' geldt. De praktijk leert dat er een kleine vaste kern is die vaak al meerdere jaren dezelfde standplaats bezet, sommigen al meer dan 40 jaar.
Als vergoeding voor het gebruik van de standplaats betaalt de vergunninghouder een huur die bepaald wordt aan de hand van de locatie van de standplaats en het aantal vierkante meters dat de standplaats inneemt. De huren in Utrecht zijn laag vergeleken met andere steden en zijn om onverklaarde reden de afgelopen 9 jaar niet geïndexeerd.
Het raadsvoorstel beoogt de geldende standplaatsverordening af te schaffen en het aantal beschikbare standplaatsen en hun locatie voortaan eenzijdig door de gemeente vast te laten stellen. Voor deze standplaatsen wordt een vergunning van 5 jaar afgegeven die via een openbare bieding wordt verstrekt aan de ondernemer met het beste bod. De bieding wordt getoetst aan een aantal nader uit te werken criteria. Zo wordt er een minimale huurprijs gevraagd, zal er naar de uitstraling en branchering van de kar worden gekeken (welstand) en er wordt rekening gehouden met opgebouwde 'gebruiksrechten'. Door een vergunning voor 5 jaar te verstrekken zouden ondernemers meer zekerheid krijgen en verlost zijn van het (drie)jaarlijks verlengen van hun vergunning.
Bij de raadsinformatieavond (RIA) over het raadsvoorstel bleek dat er grote weerstand bestaat bij de huidige standplaatshouders. Zij vrezen dat de mate waarin een houder boven de minimale huurprijs kan bieden doorslaggevend zal zijn bij de toewijzing en beklagen zich over het feit dat er nog niet duidelijk is hoe de verschillende criteria worden gewogen. Daarnaast vermoeden zij dat de afschaffing van de verordening wordt gebruikt om de huurtarieven in één klap te verhogen. Bij de RIA bleek dat er in het voortraject niet of nauwelijks met de ondernemers over de voorgestelde wijzigingen is gesproken. Ook konden de aanwezige ambtenaren nog onvoldoende inzicht geven op de vragen die er bij de raadsleden leefden over de huurtarieven, weging van criteria en een mogelijke overgangsregeling voor bestaande standplaatsen.
Voor de VVD is onvoldoende duidelijk geworden dat het nieuwe systeem zal leiden tot een vermindering van administratieve lasten. Om deze en eerder genoemde redenen is er bij de wethouder op aangedrongen om het voorstel in te trekken. Zij moet in overleg treden met de standplaatshouders om tot een nieuw en gedragen voorstel te komen wat de bestaande lastendruk wel vermindert, zonder de vrijheid van ondernemers verder aan banden te leggen.
Daags na de RIA ontving de gemeenteraad het bericht dat het college het raadsvoorstel tot nader order heeft ingetrokken en zich zal beraden over de vraag hoe dit proces (opnieuw) op te pakken. Wordt vervolgd.