Categorieën

Column Willem Buunk: 'Liberale (structuur)visie'

10 okt 2011

Liberalen koesteren een gezond wantrouwen tegen allerlei vormen van planmatige ontwikkeling en sturing van de samenleving. Dat wordt geïllustreerd door de keuze van het kabinet Rutte om bij het aantreden het ministerie van VROM, bakermat van de centrale sturing van ’s lands ruimtelijke ordening, op te heffen. Het regeerakkoord kondigde bovendien de decentralisatie van de ruimtelijke ordening aan, een politieke keuze op het kruispunt van liberale en christen-democratische opvattingen. Het is opmerkelijk dat het kabinet Rutte een jaar later met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte presenteert. De vijftigjarige traditie van centrale sturing van ruimtelijke ontwikkeling lijkt met dit nieuwe ruimtelijke plan voor Nederland voortgezet. Dat lijkt niet erg liberaal.

Liberale denkers als Isaiah Berlin en Friedrich von Hayek zijn belangrijke vertolkers van de kritiek op planning. Ze hadden er vijftig jaar geleden een dagtaak aan. Want hoewel het spook van het communisme na de Tweede Wereldoorlog veilig opgeborgen leek achter het IJzeren Gordijn, was de periode van de wederopbouw in West-Europa een dankbaar object voor planners van divers pluimage. Het was ook de tijd dat het geloof in de planmatige gestuurde maakbare samenleving Nederland in zijn greep kreeg. Belangrijke keuzes werden in weerwil van waarschuwingen van Berlin en Hayek door de politiek uit handen gegeven aan wetenschappelijk onderlegde deskundigen en ambtenaren.

In de oorlogsjaren was er al een Rijksplanologische Dienst (RPD) ingesteld. Na de bevrijding werd de institutionele infrastructuur voor de centrale overheidssturing verder opgetuigd met een Centraal Planbureau (CPB) voor de economie en een Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Nederland was institutioneel klaar voor een overgang naar centraal gestuurde heilstaat. De planbureaus hebben de ambitie (gelukkig) nooit waargemaakt. Het SCP is een gewoon onderzoeksinstituut geworden en het CPB een bureau voor rekenmodellen van koopkrachtplaatjes. In de Rijksplanologische Dienst hebben sociaal-democratische idealen wel een institutionele verankering gevonden voor een centraal en planmatig integraal gestuurde ruimtelijke ordening. De wederopbouw bood de gelegenheid.

De Haagse ambtenarij tekende voortaan op de kaart uit wie waar en hoe zou wonen, werken en leven. Vooral met woningbouwsubsidies werd de ontwikkeling van de steden volgens plan gestuurd en industriesubsidies moesten de arbeidsplaatsen er achteraan sturen. Dorpjes als Capelle aan de IJssel, Purmerend, Zoetermeer en Nieuwegein werden door de rijksoverheid tot groeikern aangewezen en veranderden in grote woonsuburbs. In de meeste ervan hebben mensen met plezier gewoond, sommige zijn wellicht wat saai of lelijk en enkele – met Houten als voorbeeld – zijn ronduit populair. Maar de planmatige verspreiding van de arbeid heeft gefaald en het gebrek aan afstemming met de infrastructuurinvesteringen heeft bijgedragen aan de explosieve mobiliteit en files.

De illusie van de planmatige centrale sturing van de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland ligt inmiddels aan diggelen. Zelfs in sociaal-democratische kring is het geloof tanende. De Rijksplanologische Dienst is al een jaar of tien geleden opgeheven. Het is omgevormd tot Planbureau voor de Leefomgeving als onderdeel van het RIVM in Bilthoven. Desondanks heeft de liberale minister van Infrastructuur en Milieu een Structuurvisie laten uitwerken door haar ambtenaren. In het nieuwe ministerie trof zij tussen de klassieke staatstaken van (spoor)wegbeheer en de zorg voor droge voeten, een beleidsdirectie aan die Nederland ruimtelijk moet ordenen met ruimtelijke plannen van vorige kabinetten.

Het moet een dilemma zijn geweest voor minister Schultz van Haegen, maar haar oplossing is slim. Ze laat in korte tijd een structuurvisie opstellen, waarmee ze vooral aangeeft op welke ruimtelijke ontwikkelingen er door de rijksoverheid niet meer wordt gestuurd. Het in stand houden van nationale landschappen? Dat kunnen de provincies beter. De ontwikkeling van nieuwe woonlocaties? Dat moet toch binnenstedelijk, dus dat ordenen de gemeenten zelf maar. Kustverdediging? Dat blijft het rijk natuurlijk doen. Hoofdinfrastructuur? Dat doet het rijk, waarbij in afspraken met provincies en gemeenten wel even wordt vastgelegd dat die ook elk hun steentje (brokje asfalt?) moeten bijdragen. Regels voor een zorgvuldige afweging van ruimteclaims? Dat gaat beter als er minder regels zijn, snellere procedures en minder overleg tussen overheden. Daarvoor kondigt ze een bondige nieuwe omgevingswet aan.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is niet langer een instrument voor een integrale bemoeienis met de ruimtelijke ontwikkeling van het hele land. Indachtig de kritiek van Hayek  en Berlin, is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte daarmee een liberale structuurvisie geworden. Het is een document met politieke keuzes die afwijken van wat een vorig kabinet nog in negen (!) afzonderlijke nota’s en structuurvisies had vastgelegd. Keuzes over waar de rijksoverheid ingrijpen in de ruimtelijke ontwikkeling gerechtvaardigd vindt voor het nationale belang van concurrentievermogen en bereikbaarheid en – vooral – waar niet. Daarmee brengt dit kabinet de ruimtelijke planning terug tot haar kerntaak: een politieke visie voor politieke keuzes.